"Potpourriwet mag geen stinkbom worden"

Door Lorin Parys op 28 oktober 2015, over deze onderwerpen: Welzijn

Op de plenaire vergadering kwamen de potpourri-wetten ter sprake in de plenaire vergadering. Deze wetten voeren een aantal veranderingen door op federaal niveau in het justitieel beleid. Lorin ondervroeg minister Jo Vandeurzen over de plannen van zijn federale collega Koen Geens en het effect daarvan op de nieuwe Vlaamse bevoegdheden. Hieronder leest en herbekijkt u alvast het verslag! Het volledige verslag kan u lezen op de website van het Vlaams Parlement

 

De voorzitter: De heer Parys heeft het woord.

Lorin Parys (N-VA):

Minister, ik wil het hebben over wat er aan de overkant van de straat gebeurt. Daar is uw collega Geens bezig een aantal wetten voor te bereiden onder de welriekende naam ‘potpourri’. En die hebben een impact op Vlaanderen, want ze gaan ervoor zorgen dat het aantal enkelbanden en het aantal mandaten bij de Vlaamse justitiehuizen zal stijgen.

‘Potpourri’ is nu misschien een ietwat misleidende naam, want het lijkt meer op een stinkbom die over de haag wordt gegooid. Federaal zullen er meer vragen komen voor enkelbanden, en dat betekent meer mandaten voor onze Vlaamse justitiehuizen, terwijl we net het aantal enkelbanden hebben teruggeschroefd omdat we, met de mensen en de middelen die we vandaag hebben, al niet aan de huidige vraag kunnen voldoen.

Ik weet uit de besprekingen in de commissie dat dit als een externe kostendrijver kan worden beschouwd, maar dat neemt niet weg dat Vlaanderen met de doorgeschoven factuur blijft zitten. De zesde staatshervorming zorgt ervoor dat de federale overheid zich kan gedragen als een enthousiaste caféganger die op de poef leeft. Wij zullen pas geld zien in 2019. Een volgende federale regering zal ons eventueel wat centen geven voor de extra opdrachten die ze bij ons heeft besteld.

Minister, in de commissie kondigde u aan uw collega Geens daarover te zullen aanspreken, omdat dit budgettaire consequenties heeft. Daarover zal moeten gedelibereerd worden. Maandag was de laatste vergadering van de interministeriële conferentie Justitiehuizen. Is daar die Vlaamse impactanalyse ter sprake gekomen? Is daar het effect op de Vlaamse begroting besproken? Hoe zult u ervoor zorgen dat wij niet met de gebakken peren blijven zitten?

De voorzitter: De heer Vandeurzen heft het woord.

Minister Jo Vandeurzen:

Wat die gebakken peren betreft: de staatshervorming is wat ze is. Dat betekent dat een bepaalde visie op de kerntaken van justitie, met name, een meer gemeenschapsgerichte justitie en een grotere aandacht voor fysieke integriteit en voor kansen op een gezonde levensstijl en voor het herstel en het vrijwaren van de gezondheid, niet hetzelfde betekent als het doorschuiven van de hete aardappel. Het is niet zo dat die visie wordt geïmplementeerd omdat we de aardappel graag willen doorschuiven.

De visie die collega Geens gestalte wil geven, is een visie die op het federale niveau inzake justitie al een tijdje gangbaar is, namelijk dat justitie dient te worden geïntegreerd in een globale maatschappelijke opdracht met eigen uitdagingen en mogelijkheden. De staatshervorming heeft inderdaad voor gevolg dat een aantal zaken nu gemeenschapsmateries zijn geworden. Daar bent u wellicht niet zo gelukkig mee. De ministers in de regering moeten die uitdaging nu opnemen. Het klopt dat er intussen afspraken zijn gemaakt over een aantal aspecten van de verhoging van de caseload elektronisch toezicht in onze justitiehuizen en onder meer dat ze kunnen leiden tot een aanpassing van de begroting omdat ze externe kostendrijvers worden genoemd. Uiteraard proberen we in het kader van de interministeriële conferentie, zoals trouwens ook de andere gemeenschappen van dit land, zeer intensief te overleggen over de voorontwerpen van wet en over de uitvoeringsbepalingen.

Kortom, een aantal werkgroepen zijn actief en de stand van zaken is als volgt. Eén werkgroep gaat over de financiering, ook voor de alternatieve maatregelen, zoals de fondsen die in het verleden werden aangesproken en voortaan ook zullen worden aangesproken om maatregelen in de hulpverlening en inzake werkstraffen mogelijk te maken. Gisteren werd opnieuw nagegaan wat er in dit verband mogelijk is op het federale niveau. Een andere groep gaat over de mandaten en die is voor uw vraag bijzonder belangrijk. In de bijzondere wet staat immers dat er na verloop van tijd kan worden bijgestuurd in functie van het aantal mandaten. Een belangrijke vraag is dus wat we verstaan we onder mandaten. Hoe wordt dat gedefinieerd? Het Rekenhof moet daarbij een rol spelen. Daarover hebben we gisteren ook een aantal afspraken gemaakt: we zijn het eens over wat een mandaat is. De gemeenschappen – en het was niet enkel de Vlaamse Gemeenschap – hebben ervoor gepleit om dit begrip kwalitatief in te vullen. Het ene mandaat is qua impact en qua caseload niet altijd gelijk aan het andere. We gaan daar nog verder over nadenken en kijken of we dat begrip de volgende weken nog kunnen verfijnen. We moeten een nulmeting kunnen doen en een monitoring kunnen uitvoeren.

Ik heb de commissie in juni een eerste nota bezorgd over enkele globale beschouwingen die betrekking hebben op het justitieplan in het algemeen. Nu proberen we heel punctueel een aantal van die wettelijke bepalingen ook concreet op te volgen en in te schatten.

Meer concreet heb ik begrepen dat er gisteren in de commissie Justitie een inleiding is gegeven bij de ‘potpourri 2-wet’ met een aantal bepalingen over elektronisch toezicht en probatie. Ik heb ook begrepen dat men federaal de inwerkingtreding van de wet op de autonome probatie zal verschuiven naar volgend jaar om zo de zaken gelijktijdig in werking te kunnen laten treden. Ook dat hebben we natuurlijk gisteren besproken.

Toevallig heb ik vandaag de voorzitters gezien van de nieuw geïnstalleerde probatiecommissies om met hen te bespreken hoe we dit zullen voorbereiden, of we een aantal afspraken kunnen maken om het beheersbaar te houden of te maken.

Ten slotte kan ik u bevestigen dat het college van procureurs-generaal samen met onze administratie intens bezig is om de inwerkingtreding van de wetten ook effectief voor te bereiden.

Lorin Parys (N-VA):

Minister, het gaat me niet om de visie die federaal wordt ontwikkeld, maar wel om de factuur die wordt doorgeschoven. De zesde staatshervorming is er gekomen met een financiering die al onvoldoende was, vanuit het standpunt rebus sic stantibus, we zullen de zaken laten zoals ze zijn. Ondertussen wordt eraan veranderd. Het lijkt me dan maar fair dat ook de financiering ervan wordt veranderd.

Mijn bijkomende vraag gaat over het materiaal. Het is een soap die al een tijdje bezig is. Normaal gezien had er tien maanden geleden al nieuw materiaal moeten zijn. Dat werd dan uitgesteld tot 30 september van dit jaar, maar ook die datum is niet gehaald. Nu wordt het uitgesteld tot mei 2016.

Ondertussen zijn er stakingen geweest, onder meer doordat het materiaal niet goed werkt. We zitten met een aanbesteding die absoluut moet worden afgerond. Aan de ene kant hebben we dit gegeven. Aan de andere kant is er het gegeven dat we nog niet weten wat de impact cijfergewijs zal zijn, bijvoorbeeld van het aantal enkelbanden waarin Vlaanderen zal moeten voorzien. Hoe kunnen wij als Vlaanderen nu een goede aanbesteding doen en bijvoorbeeld een correct aantal enkelbanden bestellen terwijl we nog niet eens weten wat de exacte impact zal zijn van alle ‘potpourrimaatregelen’ die federaal voorliggen?

Minister Jo Vandeurzen:

Ik heb nog een bescheiden verleden op Justitie gehad, en ik moet eerlijk zeggen dat ik een visie waarbij men gevangenisstraffen als ultieme remedie gebruikt voor een aantal situaties, persoonlijk nogal deel. Mijnheer Landuyt, mochten we de klok terugdraaien en de beleidsverklaringen zien van een aantal ministers van Justitie vanaf de zaak-Dutroux, dan zouden we zien dat die visie vrij stabiel is gebleven in de diverse periodes. De staatshervorming heeft inderdaad echter een aantal consequenties en verantwoordelijkheden geherpositioneerd. We moeten bekijken op welke manier we een betrouwbare partner voor Justitie kunnen zijn. Mijnheer Parys, een aantal van de wetten waarnaar u verwijst, zijn trouwens niet ontstaan na de staatshervorming, maar zijn nog van voor de staatshervorming. Die potpourriwetten, zoals men dat in het jargon noemt, hebben die wetten op zich niet fundamenteel veranderd. Het recht op zorg in de wet op de internering wordt nu niet ingeschreven met de nieuwe wet ter bijstelling van de wet die nu door de Federale Regering is goedgekeurd en voor advies is opgestuurd. Dat bestond in vorige wetgeving. Dat geldt ook bijvoorbeeld voor autonome probatie. Dat zijn wetten die van voor de start van deze legislatuur gelden.

Dat belet niet dat ik ook niet moet verbergen dat het een hele uitdaging zal zijn om dat goed te beredderen. Zoals we ook altijd hebben gezegd vanaf de start van de regering: in een eerste fase proberen we die bevoegdheden te absorberen, te incorporeren en duurzaam te verankeren in onze Vlaamse administratie en begroting. U weet dat de aanbesteding moet gebeuren voor de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap samen. Wij moeten dat elektronisch toezicht samen beheren. Daar is dus toch nogal wat overleg over nodig. Uiteraard is die aanbesteding zo gemaakt dat vragen naar bijkomende enkelbanden op te lossen zijn. Het is dus niet zo dat daar staat dat men helemaal van nul moet beginnen als men een bepaald aantal bereikt. Ik neem aan dat de klassieke manier van aanbesteden u wel bekend is. We zullen proberen dat zo snel en zo goed mogelijk te integreren. Nogmaals, ik denk immers dat Vlaanderen met de nieuwe bevoegdheid de ambitie moet hebben om op dat vlak de inspanning te doen om een betrouwbare partner te zijn.

Lorin Parys (N-VA):

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik wil nog even ingaan op wat mijn collega’s hebben gezegd. Uiteraard zijn wij als N-VA blij dat Vlaanderen een rol kan spelen in het justitiebeleid. U hebt me ook niets anders horen zeggen. Ik vond het verwonderlijk dat een liberale politica dan zegt dat, als daar een factuur bij hoort, het zo zij. We willen net dat degene die de beslissingen neemt en de bestellingen plaatst, ook verantwoordelijk is voor de financiering ervan. Dat lijkt me belangrijk in deze zaak. Minister, ik hoop ook dat u zult blijven hameren, zoals u in juni van dit jaar in de commissie hebt gezegd, op het feit dat dit budgettaire implicaties heeft voor Vlaanderen. Het gaat me niet om de visie die federaal wordt ontwikkeld. Daar moet men zich federaal over uitspreken. Dat is een federale bevoegdheid. Het gaat me om het feit dat wij de factuur doorgeschoven krijgen van iets dat we zelf niet onder controle hebben. Minister, ik vraag u daar blijvend aandacht voor te hebben. (Applaus bij de N-VA)

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is