Kafka zal geen jongeren helpen: de drie werven van integrale jeugdhulp

Door Lorin Parys op 27 mei 2015, over deze onderwerpen: Welzijn, Jeugd, Jongeren

Eén jaar oud is het decreet rond Integrale Jeugdhulp inmiddels, de evaluatie leert dat de uitgangspunten goed zijn maar dat we moeten bijsturen in de praktijk. Lorin ondervond aan den lijve wat de drie grootste werkpunten zijn: het moet minder ingewikkeld, er zijn meer plaatsen nodig, maar ook als maatschappij moeten we voor de spiegel gaan staan.

Eén van onze kinderen kreeg één uur thuisbegeleiding om de drie weken. Om die hulp te verlengen moesten we een aanvraagdocument van 17 bladzijden invullen. Eén medewerkster van de thuisbegeleidingsdienst had zich daar op haar bureau al over gebogen, de rest moesten we samen doen. Daarvoor kwamen twee maatschappelijk werkers één uur bij ons thuis. Omdat het document niet geprint kon worden, was een extra huisbezoek nodig voor de ondertekening. Toen bleek dat ons kind ook een andere vorm van hulpverlening nodig had, volstond dat eerste document niet meer. Maar om op de wachtlijst voor die hulp te komen, had ik een CLB nodig. Pech, want het CLB in mijn regio weigert meer dan één zo’n aanmeldingsdocument per maand in te vullen wegens te veel werk.

Ziehier een mini-illustratie van de drie werven die we moeten aanpakken in onze jeugdhulp: de complexiteit, de capaciteit en de mentaliteit. Het Vlaams Parlement buigt zich in een aantal hoorzittingen over de werking van Integrale Jeugdhulp. Iedereen schaart zich achter de uitgangspunten van het decreet, maar het is aan evaluatie toe. De voorlaatste hoorzitting van vandaag maakt duidelijk waar het fout loopt en hoe het beter kan.

1. Snoei in de complexiteit.

Concreet moeten we eerst dat befaamde aanmeldingsdocument eenvoudiger maken. Daarvoor kunnen we samenwerken met Sirris, het non-profit-innovatiecentrum van de technologische industrie. Die nodigen we uit om een app te maken die elke jeugdhulpverlener makkelijk kan invullen. Daarna schaffen we de wachtlijst om op de wachtlijst te geraken af. Die bestaat vandaag omdat we in Brussel het werk van een multidisciplinair team, dat de jongeren echt kent, nog eens overdoen. Het Vlaams regeerakkoord spreekt over ‘vertrouwen geven’, laten we dat principe ook toepassen in de jeugdhulp. Als hulpverleners samenwerken met experts uit verschillende disciplines en dat doen volgens een vooraf afgesproken methodiek, beslissen zij het best zelf over de hulp die nodig is. Uiteraard altijd in samenspraak met de jongere en zijn omgeving. Laten we bovendien het mandaat om met ‘verontrustende situaties’ om te gaan aan één organisatie geven, niet aan twee zoals nu het geval is.

Tenslotte moeten we helder communiceren. Wat vroeger ‘thuisbegeleiding autisme’ heette, is nu ‘mobiele en ambulante begeleiding voor minderjarigen met vermoeden van handicap lage of hoge frequentie’ geworden. Dat maakt het er niet simpeler op om elkaar te begrijpen. De winst die we boeken als we erin slagen om die complexiteit in te dijken, is enorm. We spenderen tienduizenden uren aan administratie in de jeugdhulp, als je dat aantal kan halveren, komt er gigantisch veel tijd vrij om hulp te verlenen. Wat ons bij de tweede werf brengt.

2. Creëer extra capaciteit.

Ja, we moeten gericht een aantal plaatsen bij creëren door te vereenvoudigen. Maar neen, we kunnen niet alle heil verwachten van alleen maar meer plek. Ervaring leert dat elke plek die je bijmaakt in jeugdhulp, na verloop van tijd ook dichtslibt. Minister van Welzijn Jo Vandeurzen (CD&V) heeft al extra plaatsen gecreëerd in de thuisbegeleiding en in de crisishulp. Nieuwe plaatsen in de gesloten voorzieningen zijn gepland. En ondertussen is meer hulp rechtstreeks toegankelijk gemaakt. Op die ingeslagen weg moeten we verder, maar we mogen de derde en moeilijkste werf daarbij niet uit het oog verliezen.

3. Verander de mentaliteit.

In Brussel moeten we minder bureaucratisch worden en onze regels in vraag stellen, klopt. En de sector zelf moet ook durven erkennen dat jeugdhulp soms te snel overneemt. Er zijn alternatieven in de eerstelijnszorg, zoals positieve heroriënteringsprojecten, die goede resultaten boeken. Meer dan de helft van de gezinnen die we met dat soort projecten snel kunnen bereiken en aanspreken op hun eigen kracht, schuiven nooit door naar de echte jeugdzorg. En een echte ‘integrale’ jeugdhulp vereist ook een open geest om beter samen te werken, bijvoorbeeld om de problemen rond het delen van informatie en het beroepsgeheim aan te pakken of om de politie te betrekken als partner.

Maar het gaat ook over onze maatschappij. Vinden we het normaal dat het aantal jongeren in jeugdhulp sinds 2000 meer dan verdubbeld is, tot ondertussen 27.000? Kunnen wij nog wel om met verschil? Hoe ver mogen jongeren nog afwijken van de norm vooraleer we ‘ingrijpen’? Moeten echt zoveel kinderen aan de rilatine? Een debat over het stijgend aantal jongeren in de jeugdhulp kan niet zonder vragen te stellen bij het waarom daarvan. De mentaliteitsverandering moet dus niet alleen van Brussel komen, maar ook van het veld en misschien wel nog het meest van onszelf.

We willen allemaal hetzelfde, we weten ongeveer wat we moeten doen. Laten we dan ook de koe bij de horens vatten, zonder te doen alsof het allemaal eenvoudig zal zijn. Het Actieplan Jeugdhulp dat Vandeurzen opstelde kan een goede leidraad zijn, de getuigenissen uit de hoorzittingen bieden een unieke kans om bij te leren en bij te sturen. Als iedereen meewilt, kunnen we sneller, beter en meer hulp bieden aan de meest kwetsbare kinderen.

Bron: De Standaard

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is