Interview in Het Nieuwsblad Magazine

Door Lorin Parys op 13 februari 2016, over deze onderwerpen: Adoptie, Ondernemen, Pleegzorg
Bron: Marco Mertens

Voor N-VA politicus Lorin Parys is het altijd duidelijk geweest dat hij ooit kinderen wilde. Zo duidelijk zelfs dat hij een tijdlang bij elk eerste afspraakje al eens polste hoe het zat met de kinderwens van zijn date.

Lorin: ‘Dat bleek geen geweldige openingszin (lacht). Bart was nog vrij jong toen ik hem leerde kennen, en ik heb het onderwerp kinderen nog wel een paar keer opgebracht aan het begin van onze relatie, maar vrij snel beslist om er verder maar over te zwijgen. Het werd nogal snel serieus tussen ons, en ik vond dat Bart zelf moest uitmaken of hij kinderen wilde, zonder enige druk van mij. Ik was me net een beetje aan het verzoenen met het feit dat het er misschien niet van zou komen, toen hij er zelf over begon.”

Na de kinderwens komt de volgende – moeilijkere – stap: een kindje krijgen. Was het voor jullie meteen duidelijk dat jullie voor adoptie en pleegzorg zouden gaan?

“Nee, helemaal niet. Als je de beslissing neemt om een kind te krijgen, begint de ontdekkingstocht pas. Bart en ik hebben in het begin alle opties overwogen. Op een gegeven moment hebben we een draagmoederbijeenkomst, georganiseerd door een Amerikaanse vereniging, bijgewoond. We werden ontvangen in een chique Brussels hotel en kregen daar – zoals wij dat toen noemden - het Big Mac-menu voorgeschoteld: we konden kiezen uit verschillende vormen van draagmoederschap, eicellen, prijsklassen. Er was zelfs een soort niet tevreden, geld terug-garantie, mocht de bevruchting niet lukken. We hebben ook ons licht opgestoken over draagmoederschap in India. Voor een vierde van de prijs van een Amerikaanse draagmoeder kan je daar een draagmoeder ‘huren’. We waren het er eigenlijk meteen over eens dat geen van beide opties manieren waren waarop wij een kind wilden. Er zijn zoveel kinderen op de wereld die hulp nodig hebben, om dan op zo’n manier heel dat traject van draagmoederschap te doorlopen, gewoon zodat je kind dan jouw DNA heeft, nee, dat voelde niet goed voor ons. Dus was de logische volgende stap ons te informeren over adoptie. Eigenlijk hebben we toen vrij snel beslist om voor zowel adoptie als voor pleegzorg te gaan.’

Jullie kozen dus meteen bewust voor meer dan één kind?

‘We wisten dat het lang wachten zou zijn op een adoptiekindje. En het speelde ook wel mee dat je met pleegzorg niet zeker bent dat je kind altijd bij je blijft, zelfs al doe je zoals wij aan perspectiefbiedende pleegzorg, wat wil zeggen dat het een langetermijnregeling is.

Op Mabel hebben we uiteindelijk meer dan vijf jaar moeten wachten. Onno, ons eerste pleegkind, kwam er vrij snel.”

Ging dat vlot, die overgang van een koppel naar een gezin?

“Dat was vast niet zo eenvoudig, ook al omdat pleegzorg wel complex is, maar dat is het mooie: je vergeet dat snel. Ik herinner me wel dat we op vakantie te horen kregen dat we definitief pleegouders werden. We zijn toen geland, meteen naar de babyspullenwinkel gereden – we hadden letterlijk niets, je weet immers nooit exact op voorhand hoe oud een pleegkindje zal zijn - en vervolgens naar het ziekenhuis om Onno op te halen. Toen we voor een tweede pleegkindje gingen, kregen we bezoek van onze pleegzorgbegeleider. Hij vroeg ons hoe we terugkeken op de eerste periode met Onno. Bart en ik waren maar aan het vertellen hoe tof dat was geweest, en hoe gemakkelijk dat ging. Tot die begeleider ons onderbrak: ‘Lorin, Bart! Dat ging helemaal niet vlot, wat zeggen jullie nu?’ (lacht). Misschien maar goed dat jonge ouders zo snel vergeten, of niemand krijgt nog een tweede kind.”

Je zet je ook in je politieke carrière in voor pleegzorg.

“Je beseft eigenlijk pas op het moment dat je in die wereld stapt, dat er een heel grote groep kinderen is die niet thuis kunnen opgroeien. Elk jaar groeien er in pleegzorg vijf- à zesduizend kinderen op; in de jeugdzorg zijn dat er zelfs zevenentwintigduizend: zevenentwintigduizend, dat is een kleine stad! Over die kinderen wordt weinig gezegd en geschreven, behalve wanneer er een probleem is, zoals toen onlangs een meisje in een politiecel moest overnachten omdat er geen plaats was in de voorzieningen. Ik ben politicus geworden omdat ik iets wil betekenen en doen, omdat ik dingen wil veranderen; die gebetenheid was er al, maar pas toen ik de wereld van de jeugdzorg ontdekte, vond ik mijn missie. Als je al die kinderen die vandaag in de jeugdzorg zitten, een toekomstperspectief kan aanbieden, als je ervoor kan zorgen dat ze een goeie hechting hebben, waardoor ze later een studie kunnen afmaken, een job kunnen houden, relaties kunnen opbouwen, dan heb je volgens mij de wereld veranderd. Als je zelf pleegouder bent, zie je wat de tekortkomingen zijn in de wet. Ik heb samen met mijn collega Kristien Van Vaerenbergh een voorstel uitgewerkt om pleegouders een statuut te geven, want dat bestaat nog niet. Door dat statuut zou het mogelijk moeten zijn voor pleegouders om een affectieve band met het pleegkind te houden, wanneer het kind terug is naar zijn ouders. Op dit moment heb je als pleegouder geen rechten. Je kan jaren voor een kind zorgen tot plots die band doorgeknipt wordt. Net dat weerhoudt heel wat mensen om voor pleegzorg te kiezen. Nog zoiets, er staan vijfhonderd kinderen op een wachtlijst voor een pleeggezin; evenveel wensouders wachten op een adoptiekind. Dan ben ik blij dat met het nieuwe decreet dat ik geschreven heb om binnenlandse adoptie te hervormen straks ook mensen die op de wachtlijst staan voor adoptie automatisch geïnformeerd worden over pleegzorg. Want zelfs al zijn er van die vijfhonderd maar twee koppels die toehappen, dan zijn dat toch weer twee gelukkige kinderen. De overgrote meerderheid van de kinderen die in langdurige pleegzorg zitten, gaat níét terug naar hun ouders. Dat is ook een feit.”

Hoe verliep de adoptie? Het jarenlange wachten op een adoptiekindje kan slopend zijn.

“Die vijf en een half jaar die we op Mabel hebben gewacht, leek minder lang omdat we toen Onno en Ada al hadden die onze tijd en energie vroegen. Bij ons is het, na de goedkeuring, nog relatief snel gegaan. Als homokoppel kwamen wij alleen voor binnenlandse adoptie in aanmerking. In België mogen moeders die hun kind afstaan voor adoptie, mee beslissen in wat voor gezin hun kind zal terechtkomen, en homo’s blijken alsmaar populairder. Ik heb daar ook een goede verklaring voor: als je kind bij twee mannen terechtkomt, is er geen concurrentie; dan ben en blijf jij de enige mama. Dat zien we soms ook in pleegzorg.”

Jullie hebben zowel een ‘eigen’ kind als pleegkinderen. Hecht je je anders aan dat eigen kind?

“Nee. Onno en Mabel zijn kort na hun geboorte bij ons terechtgekomen: Onno zijn we in de kraamkliniek gaan halen; Mabel was zes dagen, Ada een paar maanden. Met een baby’tje heb je geen reserves: dat ligt in je armen, is zo kwetsbaar. Je kan niet anders dan je helemaal geven. Mensen vragen me wel eens: wat als Onno of Ada terug naar hun natuurlijke ouders gaan? Dat is zo’n hypothetische vraag dat ik er geen antwoord op kan geven. Zonder twijfel zal dat heel moeilijk zijn. En natuurlijk denken Bart en ik daaraan, maar we mogen ons leven niet laten bepalen door die gedachte. Ik kan alleen maar hopen dat wanneer die dag aanbreekt, dat het dan de beste beslissing is voor Onno en Ada, en dat we hen met een goed gevoel kunnen laten gaan, wetende dat we hen iets hebben meegegeven waar ze de rest van hun leven een beroep op kunnen doen. Liefde, warmte, een veilig en geborgen gevoel, de zekerheid dat ze gelukkig mogen zijn en zich mogen hechten aan de mensen om hen heen.”

Kinderen met twee mama’s vinden we ondertussen al heel gewoon. Kinderen met twee papa’s zijn nog niet zo talrijk.

‘Iemand zei me dat recent: homo én getrouwd met drie kinderen? The worst of both worlds (lacht). Maar ik wilde niet zo’n homokoppel worden dat elke citytrip heeft gemaakt, en elk goed restaurant heeft geprobeerd. Zonder daarom mijn vrienden die een andere keuze maken te veroordelen: ik wil op het einde van mijn leven niet zeggen dat ik alleen voor mezelf geleefd heb.

Ik besef dat Bart en ik onze handen mogen kussen dat wij in deze tijd leven: wij zijn getrouwd, hebben kinderen. Nog niet zo lang geleden stond ik aan de schoolpoort te praten met de mama van een van Onno’s vriendjes. Haar zoontje kwam naar haar toe gelopen en zag me staan waarop hij zei: “Mama, ik wil ook twee papa’s.” Op zo’n moment  kan je niet anders dan naar elkaar kijken en allebei in lachen uitbarsten. Maar het geeft wel aan hoeveel geluk wij hebben. Toen ik jonger was, had ik weliswaar een kinderwens, maar ik besefte ook heel goed dat het voor een homokoppel niet evident was om een kind te krijgen. Op korte tijd is dat enorm veranderd en zijn homo-ouders relatief aanvaard. Ik heb oudere vrienden die misschien ook wel kinderen hadden gewild, maar toen ze jonger waren, kon het niet, en nu het mag, zijn ze te oud.

Ik ben echt benieuwd wat de volgende decennia gaan brengen: gaan homo’s nu massaal kinderen krijgen of net niet? Ik merk in elk geval dat er steeds meer over wordt gepraat en dat veel koppels twijfelen.”

Krijgen jullie soms negatieve reacties: twee mannen kunnen toch niet voor een kind zorgen?

“België is een land dat wat rechten voor homo’s betreft enorm vooruitloopt. Als je bedenkt dat in Frankrijk – toch ons buurland – honderdduizenden mensen op straat komen om te betogen tegen het homohuwelijk en adoptie door homo’s, dan mag je blij zijn dat je in een land woont waar de meeste mensen gewoon even hun schouders ophalen als het over gelijke rechten voor homo’s gaat.

Ik zie mensen wel vaak nieuwsgierig kijken: twee mannen met kinderen, waarvan er dan nog eentje donker is, hoe zou dát in elkaar zitten? Maar ik heb – echt waar – nooit de indruk dat dat veroordelende blikken zijn. En dat mensen nieuwsgierig zijn, vind ik niet erg. Als ze mij vragen hoe het zit, leg ik het graag uit.”

Jij en Bart hebben allebei een drukke carrière, en dan drie kinderen. Hoe krijgen jullie het georganiseerd?

“Niet! (lacht). Het loopt bij ons af en toe flink in het honderd, zoals in alle gezinnen.

Een tijdje geleden las ik in een artikel dat homo-ouders betere ouders zouden zijn. Wat een onzin! Ik begrijp wel vanwaar die redenering komt: homo’s kiezen bewuster voor een kind dan veel hetero’s, maar het is gezever dat dit ons betere ouders zou maken. Wij zijn trouwens geen ‘homo-ouders’, wij zijn gewoon ‘ouders’. Ik wil dat onderscheid niet maken. Zoals alle ouders zitten wij ook met de handen in het haar als onze kinderen ziek, lastig of allebei zijn. Maar het grootste deel van de tijd is het gewoon plezant. Die drie kinderen zijn altijd zo enthousiast, vrolijk en blij. En dat geeft ons dan weer energie. Het is een cliché, maar het is een cliché omdat het waar is: mijn leven – ons leven – zou nooit zo rijk geweest zijn als we geen kinderen hadden gekregen.”

 

Bron: Het Nieuwsblad Magazine

Tekst: Annelies Waegemans

Foto's: Marco Mertens

Foto-album

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is