"Interlandelijke adoptie blijft voor ons een toekomst hebben"

Door Lorin Parys op 7 januari 2016, over deze onderwerpen: Adoptie, Welzijn

De eerste plenaire vergadering van 2016 begon opnieuw met een debat over interlandelijke adoptie. Deze keer werd gefocust op de uitspraken van mevrouw Wivina Demeester in De Standaard, en de uitspraken van zowel minister Jo Vandeurzen en collega Katrien Schryvers (beiden CD&V) over de ontwikkelingen over interlandelijke adoptie. Schryvers pleit voor herfederalisering van het adoptielandschap, wat onze fractie geen goede oplossing lijkt. Hieronder kan u het debat opnieuw bekijken en herlezen!

 

De voorzitter: De heer Parys heeft het woord.

Lorin Parys (N-VA): Voorzitter, minister, collega’s, ik heb de afgelopen dagen geprobeerd om de verschillende verklaringen van CD&V’ers over interlandelijke adoptie te begrijpen, maar ik was eigenlijk beter aan een cursus Chinees begonnen.

Eerst was er het voorstel van CD&V om een stukje van de interlandelijke adoptie te herfederaliseren. Het gaat dan over die stammentwist tussen het Vlaams Centrum voor Adoptie (VCA) en de Federale Centrale Autoriteit (FCA), ik noem ze de anti-adoptieautoriteit. Dat blijkt dan in tweede instantie lijnrecht in te gaan tegen uw eigen voorstel, minister, dat u een aantal jaren geleden in dit parlement hebt gedaan, zeggende dat we de macht van de FCA moeten beperken door een federale wetswijziging en door ervoor te zorgen dat zij zelf geen onderzoek meer kunnen doen.

Daarna was er de vrije tribune van mevrouw Demeester, ex-minister en ex-voorzitter van een interlandelijk adoptieagentschap, die zegt dat we moeten kappen met interlandelijke adoptie op termijn want het wordt te moeilijk, te lang en te duur. Vervolgens was er collega Schryvers die in De Standaard niet een standpunt pro interlandelijke adoptie wilde innemen, hoewel ze ook voorzitster is van een interlandelijk adoptieagentschap. Ten slotte was er uw communicatie, minister, die zei: op korte termijn is er een toekomst voor interlandelijke adoptie in Vlaanderen.

Het jaar is nog geen zes dagen oud, maar aan dit ritme vrees ik een beetje voor vrijdag. Minister, verlos ons, is er in Vlaanderen een toekomst voor interlandelijke adoptie op lange termijn, ja of neen? Staat u achter uw eigen voorstel om de macht van de FCA te beperken door een federaal wetsvoorstel, of kiest u voor een interfederaal orgaan?

De voorzitter: Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen: Collega, ik ga doen wat we hebben afgesproken naar aanleiding van een decreet dat nog niet zo heel lang geleden in het parlement is goedgekeurd, precies met betrekking tot de interlandelijke adoptie. Kind en Gezin heeft zich heel erg gehaast om die wet in werking te krijgen met een aantal uitvoeringsbesluiten, en we gaan die wet ook consequent blijven uitvoeren. Dat betekent dat wat mij betreft er een plaats is voor interlandelijke adoptie. Dat op internationaal vlak de omstandigheden wijzigen en dat de afstemming met de FCA een probleem is, dat er helaas al een tijdje is en niet van gisteren dateert, zijn dingen die wij moeten proberen mee te nemen in wat er staat te gebeuren.

Wat staat er te gebeuren op korte termijn wat mij betreft? Wij hebben – daar hebt u trouwens zelf op aangedrongen op deze tribune – conform het samenwerkingsakkoord, het overleg tussen de twee niveaus inzake interlandelijke adoptie weer geactiveerd. Ik had u dat toegezegd en dat is ook gebeurd. Dat komt in maart opnieuw bijeen. De afspraak is gemaakt dat we gaan oplijsten welke punten het beste veel concreter gearticuleerd worden met betrekking tot het respect van ieders bevoegdheid, wat men van elkaar mag verwachten en waar men elkaar in zal respecteren. Wat dat betreft, zal het u niet verbazen dat Kind en Gezin zal voortgaan op wat ook in de bespreking bij het decreet op de interlandelijke adoptie aan bod is gekomen en op onze visie op de taakverdeling tussen de VCA en de FCA en wat daar toen over gezegd is en waarvan ik dacht dat het in dit parlement op veel bijval kon rekenen. Dat zullen we uiteraard met Kind en Gezin inbrengen.

Mijn hoop is dat we een soort afsprakennota-protocol – noem het zoals u wilt – kunnen krijgen, waarbij we met elkaar afspreken wat we van elkaar respecteren en honoreren en dan altijd vanuit het perspectief dat dit het belang van het kind zou moeten dienen.

Lorin Parys (N-VA): Minister, het zal u niet verbazen dat het voorstel om een deel van een Vlaamse bevoegdheid te herfederaliseren door een interfederaal orgaan te maken, op weinig bijval kan rekenen van mijn partij. Eerst en vooral omdat het niemand helpt. Het geeft bevoegdheid en macht aan een orgaan – de FCA – die het vandaag niet heeft. Zo zouden ze in de toekomst elke adoptie kunnen blokkeren. We zijn er dus absoluut geen voorstander van.

We zijn wel voorstander van de piste die u zelf hebt gesuggereerd in dit parlement, namelijk een federale wetswijziging. Mijn collega, Kristien Van Vaerenbergh, zal zo’n wetswijziging indienen in de Kamer. We hopen dat we op de steun kunnen rekenen van uw partij om ervoor te zorgen dat we aan de FCA zeggen: “In uw kot, u mag niet meer doen dan wat de wet toelaat, namelijk geen extra onderzoek. U hebt zich te baseren op de feiten die u door de gemeenschappen worden aangereikt in de erkenning van een buitenlandse adoptiebond.”

De voorzitter: Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen): Wat willen we bereiken met de wet, met de buitenlandse adoptie en hoe kunnen we daar best toe komen? Minister, u zegt dat het belang van het kind centraal staat. Dat zal iedereen vlot in de mond nemen, maar wat bedoelen we daarmee? Je kunt meegaan in een tendens om na te gaan of er in het eigen land een andere oplossing is voor een kind, want dat is meestal de beste oplossing. Omdat er theoretische mogelijkheden voor opvang zijn in een land, betekent dat niet dat er de facto geen enkele adoptie uit dat land kan gebeuren. Daarin moeten we een evenwicht vinden. Er zijn enorm veel kinderen op deze wereld die op zoek zijn naar een goed, veilig en warm nest. Onze regels moeten niet zodanig rigide worden dat we heel veel adopties onmogelijk maken en daardoor het belang van het kind opzijschuiven onder het mom van het belang van dat kind.

De voorzitter: Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Katrien Schryvers (CD&V): Voorzitter, enkele dagen geleden heb ik een oproep gekregen van uw diensten om me te melden bij de arts van het parlement. Sinds gisteren kan ik dat iets beter duiden. (Gelach)

Ik begrijp uw bezorgdheid nu, maar ik kan u verzekeren: ik ben er nog, en alive and kicking. (Gelach. Applaus bij CD&V)

Mijnheer Parys, uw actuele vraag verwondert me een beetje omdat u tot tweemaal toe een vraag om uitleg niet hebt gesteld in de commissie, hoewel u aanwezig was, maar vandaag met een actuele vraag op de proppen komt.

We weten allemaal dat er bepaalde problemen zijn met interlandelijke adoptie, onder andere de leefbaarheid van de diensten, de discussies tussen VCA en FCA. Mijnheer Parys, u weet heel goed waar wij allemaal voor staan. We willen interlandelijke adoptie een toekomst geven en dan zullen we een aantal elementen moeten aanpassen. Daarom heeft mijn fractie een conceptnota ingediend. Gisteren hebben we in de commissie Welzijn afgesproken dat die vanaf 26 januari zal worden toegelicht en dat we er hoorzittingen kunnen over houden. Kandidaat-adoptanten verdienen zekerheid, en die moeten we hun kunnen geven. Daarom doe ik een oproep om onze schouders te zetten onder die nieuwe regelgeving. (Applaus bij CD&V)

De voorzitter: Mevrouw Schryvers, dat was een zeer evenwichtige tussenkomst. (Gelach) Mevrouw Talpe heeft het woord.

Emmily Talpe (Open Vld): Minister, jammer genoeg worden we met de regelmaat van een klok met problemen geconfronteerd bij interlandelijke adoptie. U en uw diensten trachten het ergste te voorkomen. Voor veel kandidaat-adoptieouders is die onzekerheid een ware lijdensweg, naast de hoge kosten, de lange wachttijden en het procedurele traject.

Gisteren zorgde mevrouw Demeester inderdaad voor bijkomende commotie door haar pleidooi voor een afbouw op termijn van de interlandelijke adoptie. Het is een goede zaak dat kinderen in hun eigen land kunnen worden opgevangen, maar dat is nog lang niet het geval voor alle kinderen. Er moet nog een toekomst zijn voor interlandelijke adoptie. We moeten vooral inzetten op het optimaliseren van de procedure en het overleg met de federale overheid moet worden geïntensifieerd.

Minister, welke boodschap hebt u naar aanleiding van deze vraag voor de kandidaat-adoptieouders die met deze onzekerheid worden geconfronteerd? Zijn er richtlijnen voor Kind en Gezin en het VCA?

De voorzitter: Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Freya Van den Bossche (sp·a): Minister, het is belangrijk dat u kandidaat-adoptieouders die nu bezig zijn met een procedure kunt geruststellen dat er voor hen niets wezenlijks verandert. Het perspectief dat zij willen bieden aan een kind, blijft gehandhaafd, hetzij misschien in een andere organisatorische of administratieve vorm.

Wanneer de heer Parys vraagt of u een toekomst ziet voor buitenlandse adoptie op korte termijn, dan is die korte termijn in deze context niet evident te gebruiken omdat mensen nu al zeven jaar wachten. Als mevrouw Demeester zegt dat steeds meer kinderen ook een toekomst in eigen land krijgen, dan is dat een gegeven, dan zegt zij gewoon wat er aan het gebeuren is. Het hoeft niet noodzakelijkwijs negatief te zijn voor een kind dat het een goede thuis kan vinden in eigen land, meer nog, het is niet voor niets dat het Verdrag van Den Haag bepaalt dat bij adoptie de voorkeur wordt gegeven aan adoptie in eigen land. Dat neemt niet weg dat er nog altijd kinderen zullen zijn die hier of in een ander land een plek nodig hebben. Laten we die kinderen dan helpen, maar laten we ook niet doen alsof wat mevrouw Demeester zegt van de pot gerukt is. Het is inderdaad zo dat steeds minder kinderen in het buitenland op zoek zijn naar een huis hier. We moeten daarin eerlijk zijn en ouders hier geen valse hoop geven.

Minister Jo Vandeurzen: Mevrouw Van den Bossche, ik ben u dankbaar voor die laatste bezorgdheid. Naar aanleiding van de inwerkingtreding van het decreet dat tijdens de vorige legislatuur door het parlement is goedgekeurd, was er een draagvlak om duidelijkheid te creëren aan die kandidaat-adoptieouders. Er was ook de vraag om die boodschap aan kandidaat-ouders om de mogelijkheden reëel in te schatten, te koppelen aan een actieve politiek met betrekking tot kanaalonderzoeken. Dat is sindsdien ook gebeurd in Vlaanderen. Het VCA heeft zich daarop georganiseerd en is met het oog op de wens van het parlement om na te gaan wat er mogelijk is bij landen die het Verdrag van Den Haag hebben onderschreven, nagegaan hoe de subsidiariteit, het belang van het kind en de kinderrechten konden worden verzekerd. Het VCA heeft ook bekeken hoe het kinddossier op een goede manier kan worden samengesteld en hoe de kindtoewijzing op een correcte manier kan gebeuren.

Ik denk in alle eerlijkheid dat Kind en Gezin en het VCA loyaal uitvoering geven aan de verwachtingen die het parlement op dat vlak heeft geformuleerd.

We moeten nu proberen – en dat zal ook op de agenda staat van het volgende overlegforum – om elkaars bevoegdheden scherp af te lijnen zodat we niet plots opnieuw een vraagteken moeten plaatsen bij het legitieme vertrouwen, de hoop en de verwachtingen van de kandidaten omdat er interferenties zijn. Dat moet beter, dat is duidelijk, en ik hoop dat het overleg daartoe kan leiden.

Ik kijk met belangstelling uit naar het voorstel dat zal worden ingediend in het federale parlement. Ik veronderstel dat u hoopt dat op Vlaams niveau de minister, in uitvoering van het decreet, probeert na te gaan hoe kan worden geremedieerd waar dat mogelijk is. De positie die de Vlaamse overheid daarbij moet innemen, hebben wij al meermaals geëxpliciteerd. Ik zal die positie ook blijven verdedigen in de zoektocht naar een beter protocol.

Lorin Parys (N-VA): Interlandelijke adoptie blijft voor ons een toekomst hebben. We zijn dat uiteraard verschuldigd aan de kandidaat-adoptieouders, maar vooral aan de 8 tot 12 miljoen kinderen die vandaag, zelfs met ontwikkelingslanden die zich ontwikkelen, elke dag groot worden in een weeshuis. Met die 8 tot 12 miljoen kinderen aan de ene kant en een ellenlange wachtlijst met kandidaat-adoptieouders hier in Vlaanderen aan de andere kant, is het onze verdomde plicht om ervoor te zorgen dat we die twee zo veel en zo vlot mogelijk kunnen samenbrengen.

Als er dan wordt gezegd dat het te lang wordt en te complex is, laten we dan eerst de hand in eigen boezem steken. Het traject in Vlaanderen om tot een geschiktheidsvonnis te komen, duurt twee jaar. Er zijn veel landen waar er tussen de toewijzing van het kind en de effectieve adoptie maar een jaar verstrijkt. Het grootste tijdsverlies zit dus bij ons. Wij moeten als parlement ingrijpen, dat is onze plicht.

Tegen de 8 tot 12 miljoen kinderen die in een weeshuis zitten en tegen de kandidaat-adoptieouders die duidelijkheid willen, zeggen wij dat we onze plicht zullen doen om de interlandelijke adoptie op zo’n manier te organiseren dat die ook op lange termijn mogelijk blijft.(Applaus bij de N-VA)

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is