Het oerwoud van subsidies heeft een gerichte snoeibeurt nodig

Door Lorin Parys op 6 mei 2014, over deze onderwerpen: Economie, Innovatie, Ondernemen, Verkiezingen 2014

Heel wat subsidies mogen verdwijnen, maar hoe kies je de blijvers? Het moet gaan om overheidssteun die bedrijven ertoe aanzet te innoveren of in een project te investeren waarin ze zonder die steun niét geïnvesteerd zouden hebben.

Elk jaar kunnen bedrijven een beroep doen op 10 miljard euro subsidies, kopte deze krant (De Tijd, 3 mei). Dat is een schande. Eerst en vooral is het een aberratie dat die subsidies nodig zijn. Ze zijn ersatzmedicijn voor de veel te hoge loonkosten, dat is bekend. Vrijdag nog illustreerde de denktank Itinera met cijfers hoe gek we bezig zijn. In België combineren we de hoogste belastingen op arbeid met de hoogste loonsubsidies. Loonsubsidies maken meer dan 4 procent uit van de loonmassa in onze privésector. In Duitsland is dat een kwart procent, in het socialistische Frankrijk nog geen procent. En sinds 1996 zijn die subsidies bij ons in belang toegenomen met een factor tien. Duitsland, Nederland en Frankrijk evolueren net in de omgekeerde richting.

De tweede reden waarom die subsidies een schande zijn, is omdat ze nog een ander pervers effect - of intentie - hebben. De gigantische omvang van onze subsidiepot laat een veel te grote greep toe van de politiek op het bedrijfsleven. De machtigste lobby slaagt er vaak het best in om deze of gene subsidiemaatregel te bedenken en vervolgens te laten invoeren. En omdat het toekennen van subsidies zelden volledig neutraal is, schuilt ook in de toewijzing het sluipend gevaar van cliëntelisme.

We moeten ons ook boos maken over die subsidiepolitiek omdat die ertoe bijdraagt dat buitenlandse investeerders afhaken en de bedrijven en de overheid opzadelt met een administratie die nergens voor nodig is. Professionele subsidiejagers maken van dat ingewikkelde overheidskluwen hun handelsfonds en nemen een percentage op de ‘binnengehaalde subsidies’ voor hun klanten.

Kleine ondernemingen

Dus moeten we enkele ingrepen doen. De eerste is het lineair laten dalen van de loonlasten, aangevuld met maatregelen voor specifieke doelgroepen. Dan kan het aantal subsidies verminderen en kunnen we ze ook voor kleine ondernemers makkelijk vindbaar en hanteerbaar maken. Onze ondersteuningsinstrumenten moeten immers zowel grote bedrijven als kleine ondernemingen helpen.

Niet alle subsidies moeten noodzakelijkerwijs op de schop. De overheid heeft wel nog een rol te spelen, in het stimuleren van innovatie bijvoorbeeld. De hamvraag wordt dan welke subsidies mogen blijven. Dat is geen makkelijke oefening, maar in die afweging moet het volgende criterium een belangrijke rol spelen: zet die overheidssteun bedrijven ertoe aan te innoveren of in een project te investeren waarin ze zonder die publieke middelen niet geïnvesteerd zouden hebben? Het risico dat het bedrijf zelf blijft nemen in een investering en de additionaliteit van de overheidssteun moeten dus meespelen bij een beslissing over de toekenning van publieke middelen. En daar schort het vandaag.

Uit een masterproef van de Universiteit Gent bleek al dat er ‘weinig significante verschillen werden gevonden tussen gesubsidieerde kmo’s en kmo’s met afgekeurde subsidieaanvragen’. En uit een studie voor het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) blijkt dat twee derde van de projecten waarvoor bedrijven een subsidieaanvraag indienden ook zonder subsidie doorgaat, al dan niet in gewijzigde vorm. In een oudere studie in opdracht van het IWT antwoordt geen enkel van 15 grote bedrijven dat de geplande innovatie-investeringen niet zouden zijn doorgegaan zonder overheidssteun. Ik pleit niet voor het verminderen van de budgetten voor innovatie, wel dat ze doelmatiger worden ingezet.

Eén overheidsniveau

Ten slotte blijkt uit een studie van het federaal planbureau dat de additionaliteit ‘afneemt wanneer ondernemingen verschillende steunmaatregelen (gewestelijke subsidies en gedeeltelijke vrijstelling van bedrijfsvoorheffing) combineren. Dat toont de noodzaak van een coördinatie tussen de gewesten en de federale overheid over het geheel van de verleende overheidssteun’.

Of minder diplomatisch gesteld, het zou veel logischer zijn mocht maar één overheidsniveau verantwoordelijk zijn voor het verlenen van steun. Het economische en het innovatiebeleid zouden dus beter bij de gewesten komen te liggen, met één minister voor Economie en Innovatie.

Een lastenverlaging, de inzet van een slimme fiscaliteit, eenvoudigere procedures en steun voor projecten met additionaliteit als belangrijk criterium moeten na 25 mei de leidraad zijn van een economisch ondersteuningsbeleid. Zo kunnen we snoeien in het oerwoud van subsidies en onze bedrijven helpen jobs te creëren, te innoveren en opnieuw echt vooruit te gaan.

Hoe waardevol vond je dit artikel?

Geef hier je persoonlijke score in
De gemiddelde score is