Rupert aan de deur
De Wall Street Journal (WSJ), chroniqueur en fervent pleitbezorger van het wereldwijde kapitalisme, maakt nauwelijks winst. Dagelijks tuiten de WSJ-journalisten luid de loftrompet over de verdiensten van de vrije markt. Daarbij brengen ze verslag uit van overnames als waren het spannende thrillers, netjes afgeleverd in dagelijkse afleveringen. Diezelfde reporters verzetten zich juist tegen een overname van hun eigen blad. Eten de WSJ-journalisten van twee walletjes, of hebben zij gegronde reden zich zorgen te maken over een illustere Australiër op overnamepad?
Maar laat ons beginnen bij het begin. Hoe is de WSJ een makkelijk overnamedoelwit geworden? Simpel, door een lage beurskoers. Die is op zijn beurt het gevolg van de zwakke prestatie van de krant en van het moederbedrijf Dow Jones. Lagere inkomsten uit advertenties, hogere kosten voor kwaliteitsjournalistiek en de moeilijke marktomgeving van zakenkranten liggen daarvan aan de oorsprong. Terwijl het blad kan pronken met twee miljoen dagelijkse lezers, het tweede grootste aantal in de Verenigde Staten, kan ze slechts een schamele winstmarge van minder dan drie percent voorleggen. Haar concurrenten halen resultaten die tot een vijfde hoger liggen.
De familie Bancroft maakt met haar 36 leden al decennia de dienst uit als hoofdaandeelhouder van Dow Jones. En alhoewel je in hen beslagen beoefenaars van de kunst van het kapitalisme verwacht, doet het recente verleden anders vermoeden. In de jaren tachtig liet het bedrijf de kans liggen om de controle te verwerven over één van de grootste kabelbedrijven in Amerika. Daarna liet het zich een televisiestation, het Financial News Network, uit handen glippen. GE maakte er de cashkoe CNBC van. Enkele jaren later kocht de familie een financiële informatieverstrekker op voor een prikje. Ze telde er 1,6 miljard dollar voor neer. Na een extra investering van 650 miljoen besloot ze het bedrijf opnieuw te verkopen. Voor 510 miljoen dollar. Rekent u zelf de winst uit.
Dat alles maakte het mogelijk voor een Australiër met veel geld en weinig scrupules om Dow Jones voor het dubbele van zijn beurswaarde te willen kopen. Die ondernemer begon met één lokale krant in Adelaïde, maar mag ondertussen een filmstudio, een uitgeverij, Fox News, MySpace en kranten als The Times of London en journalistieke pareltjes zoals The Sun en The NY Post tot zijn imperium rekenen. De man sleurt een, op zijn zachtst gezegd, stevige reputatie met zich mee, en niet bepaald één waar journalistieke onafhankelijkheid ongeschonden uitkomt. Zelf verklaarde hij bij de oprichting van Fox News dat hij een conservatief tegengewicht in de markt wou zetten tegen de linkse media. Tegenstanders noemen de zender 'Faux News' omwille van uitgelekte interne memo's aan reporters over hoe ze het nieuws moesten beïnvloeden ten voordele van Bush.
Rupert is ook de handige harry die zijn kapitalistische plannen realiseert met de hulp van zijn communistische vrienden. Zo runt hij één van de grootste satellietzenders in China. Ongetwijfeld per toeval verdwenen de BBC-uitzendingen van zijn satelliet en smolt een gepland kritisch China-boek van de hand van zijn uitgeverij als sneeuw voor de zon. Bij de Times of London beloofde hij zich niet te moeien met de inhoud van het dagblad. Dat bleek een loze belofte.
De journalisten in het emplooi van de WSJ verdedigen dagelijks en met verve de vrije markt. Net zij dreigen nu de das te worden omgedaan door hun eigen pleidooi. Ik las enkele weken geleden in de WSJ een rake analyse van Rupert Murdoch's managementstijl. Hopelijk niet voor de laatste keer.
maandag 09 juli 2007
Vind je dit interessant? Deel het met anderen.





