Paradox van Parys: Slaap lekker, Obama
Vijfentwintig jaar geleden, in de nacht van 3 december 1984 om precies te zijn, ontsnapte er kort na middernacht veertig ton methylisocyanaat uit een pesticidefabriek in het Indiaanse Bhopal. Het werd de ergste industriële ramp uit de geschiedenis van de mensheid. Twee maand geleden, op 20 april 2010 om precies te zijn, ontplofte het booreiland Deepwater Horizon in de Golf van Mexico. Elke dag ontsnapt er 9.500 m³ ruwe olie vlakbij de Mississippi-delta. Het werd de ergste industriële ramp op zee uit de geschiedenis van de Verenigde Staten. Niks om vrolijk van te worden. Op het eerste zicht twee gelijkaardige verhalen over hebberige bedrijven en desastreuze gevolgen. Maar er zijn kleine verschillen in de passie waarmee de Amerikaanse president de twee rampen aanpakt.
Duizenden doden
Voor de kust van Louisiana was BP - vreemd genoeg steevast British Petroleum in de mond van Amerikaanse regeringsfunctionarissen - verantwoordelijk voor een booreiland waar snelheid primeerde op degelijkheid. Er vielen 11 doden en 17 gewonden bij de explosie op het booreiland. In Bhopal was het Amerikaanse Union Carbide verantwoordelijk voor een fabriek waar veiligheid geen prioriteit was. Er vielen duizenden doden in de uren, dagen en jaren na de ramp. Meer dan een half miljoen mensen werden ziek of gehandicapt.
Bhopal vs. Golf van Mexico
Terwijl de catastrofe in Bhopal duizend keer groter is dan de ramp in de Golf van Mexico, is het antwoord van de Amerikaanse president 180 graden anders. Vorige week verplichtte Obama BP 20 miljard dollar op een rekening te storten om de eerste kosten van de ramp te betalen. Hij zwoer een dure eed dat BP tot de laatste cent zou betalen en alles zou opruimen. Zijn ministerie van justitie bereidt burgerlijke en strafrechtelijke zaken tegen het Britse bedrijf voor. En het congres was er als de kippen bij om de hele BP-top naar Washington, D.C. te vorderen. Een Brits bedrijf dat in de V.S. een milieuramp veroorzaakt weet dus waar het aan toe is.
Twee maten
Maar als een Amerikaans bedrijf in het buitenland een ramp veroorzaakt, blijkt een mensenleven minder waard. Het Amerikaanse ministerie van justitie weigert Warren Anderson, de toenmalige baas van Union Carbide die op de vlucht sloeg tijdens een bezoek aan Bhopal, uit te leveren. De Amerikaanse justitie verklaarde zich onbevoegd om de claim van 3,3 miljard dollar van India tegen het chemisch bedrijf te behandelen. Union Carbide betaalde tenslotte maar 470 miljoen dollar voor alle schade. En niemand in de Verenigde Staten haalt het in zijn hoofd Dow Chemical, de nieuwe eigenaar van de onderneming, te verplichten de site van de catastrofe nu eens eindelijk op te ruimen.
Einde aan de hele zaak
Straffer nog, in de week voor Obama BP de arm omwrong, vond een Indiase strafrechtbank plots de tijd om een vonnis in de zaak-Bhopal te vellen. Acht ex-werknemers van Union Carbide India kregen een straf van twee jaar cel en een boete van 2.100 dollar. Union Carbide India moest 11.000 dollar ophoesten. Obama's viceminister voor Buitenlandse Zaken hoopte dat 'deze uitspraak een einde zal helpen stellen aan de hele zaak.'
Deugd
Dat de hypocrisie een deugd is die niet enkel in ons land met passie wordt beleden, wisten we al. Maar aan de overkant van de oceaan wordt ze dezer dagen met nog meer verve bedreven. Of hoe hoop kan veranderen in cynisme. Wel te rusten, meneer de president.
De Paradox van Parys verschijnt op vrijdag in De Standaard.
vrijdag 25 juni 2010
Vind je dit interessant? Deel het met anderen.





