Grenzen van Globalisering

Colruyt zoekt zijn technisch talent voortaan in India. Dat komt omdat het bedrijf uit Halle geen geschoolde krachten in België vindt om het stockbeheer en de loonadministratie te doen voor zijn 16.000 werknemers. Dat tekort aan talent is maar het topje van de ijsberg. Elke dag derft ons land de winst van een gigant zoals Colruyt omdat we de juiste mensen niet vinden. De IT-sector heeft bijna evenveel openstaande vacatures als de supermarktketen werknemers telt. Dat stelt de beleidsmakers in Hertoginnedal voor een eenvoudige vraag. Is het beter dat bedrijven, op zoek naar werknemers, werk naar het buitenland sturen dan dat we werknemers op zoek naar werk uit het buitenland, laten overkomen?

Eigenlijk zou er geen twijfel over het antwoord mogen bestaan. Vier redenen waarom we beter boeren als land met kennismigratie dan met delokalisatie. Ten eerste zorgen kennismigranten ervoor dat bedrijfskapitaal -en dus investeringen- hier blijven. Zodra een bedrijf beslist een kapitaalsinvestering te doen in het buitenland, zijn de kansen op een terugkeer van dat kapitaal minimaal. Ten tweede zorgt kennismigratie voor een verscheiden samenleving, een absolute basisvoorwaarde voor vernieuwing. Pientere migranten zorgen dus op zijn minst voor meer restaurantvariëteit en op zijn best voor meer innovatie. Ten derde spenderen kennismigranten een deel van hun salaris in hun nieuwe thuisland. Indiase Colruyters kopen niet bij de handelaars van Halle. Vietnamese onderzoekers bij Janssen Pharmaceutica schuiven wel aan bij de bakker in Beerse voor hun croissants. En ten slotte is kennismigratie een slim antwoord op de vergrijzing. Niet enkel zorgen migranten voor jong bloed, ze dragen ook bij aan onze pensioenspaarpot. Onze grenzen openstellen voor kennismigranten is dus geen moedige keuze van het beleid, het is een voor de hand liggende noodzaak met een rist voordelen.

Alhoewel India straks het loonbriefje van Suzy van de rode telefoon verzorgt, wordt ook voor bedrijven duidelijk dat outsourcing geen toverwoord is. Eerder deze maand bracht een FlandersDC-rapport aan het licht dat delokalisatie louter omwille van lagere loonkosten, bedrijven vaak zuur opbreekt. Professor Vereecke van de Vlerick School maakte een vergelijkende balans op van Vlaamse multinationals en hun productievestigingen over een tijdspanne van tien jaar. Zes van de negen fabrieken die waren opgericht om kosten te besparen, zijn tien jaar later alweer verdwenen. Het rapport gaf verder aan dat, hoewel het aantal vestigingen van de bestudeerde bedrijven met 30% steeg (van 59 naar 82), het aantal in Vlaanderen zakte van 15 naar 11. Fabrieken die overleven, wisselen actief innovaties uit, gaan op bezoek bij hun collega's, staan open voor suggesties en -vooral- delen heel veel van hun kennis. Bedrijven die een fabriek openen om dichtbij een nieuwe groeimarkt te zitten, doen het over het algemeen goed. Al is ook dat geen garantie op succes in de lokale markt zoals blijkt uit het verhaal van Toys'R'us in China.

Toys'R'us is een Amerikaans bedrijf en één van de grootste speelgoedfabrikanten ter wereld. Vorige week had ik de kans met de baas van de speelgoedreus in China te praten. Zijn fabrieken produceren er 80% van de spullen die het bedrijf verkoopt, zei hij. Toch gaat er in het grootste land ter wereld geen enkele teddybeer van het bedrijf over de toonbank. Makkelijk op te lossen, zou je denken, met al die vestigingen in het land. Dat is buiten de Chinezen gerekend, die niet toelaten dat wat in China gemaakt wordt, daar ook verkocht wordt. Eerst uitvoeren en dan opnieuw invoeren is de boodschap. En dus wint en verliest het bedrijf bij globalisering.

maandag 30 juli 2007

Vind je dit interessant? Deel het met anderen.

Geef je commentaar op dit stuk:

Naam:

E-mail:

Website:

Wil je op de hoogte blijven van volgende commentaren op dit stuk?

Vul het onderstaande woord in:


© Lorin Parys. - webdesign blau - Lorin Parys. RSS 2.0 - disclaimer en privacy