Wie controleert de controleur?

Het wordt stilaan tijd om een aantal zondebokken aan te duiden voor het huidige financiële fiasco. Na het lezen van de kranten lijkt (te veel) innovatie in de financiële sector een goede kanshebber voor een van de hoofdprijzen. Want het herverpakken van woningkredieten in instrumenten waarvan niemand het risico kon inschatten, is voor veel critici het begin van het einde geweest.

Maar dat is kort door de bocht. De markt had immers wel spelers aangeduid om op de winkel te passen en de kredietrisico's van die nieuwe producten in te schatten: kredietagentschappen met ronkende namen als Standard & Poor's (S&P), Moody's en Fitch. Het vernuftige aan dat systeem was dat je als investeerder niet meer hoefde te weten wie de eigenaar was van een huis, hoeveel die verdiende en waar het huis stond om het risico van een hypotheek in te schatten. Een waardering van een erkend kredietagentschap volstond. Of zo had het moeten zijn.

Tot nu toe zijn de agentschappen netjes in de schaduw blijven staan, maar hun rol kan best wat desinfecterend daglicht gebruiken. Het vreemde is dat de sector tegelijkertijd aan te weinig en te veel concurrentie lijdt.

Het probleem begint met het oligopolie van drie grote kredietagentschappen. Meer dan tien jaar geleden zei Thomas Friedman al dat er twee supermachten in de wereld waren: de Verenigde Staten en Moody's. Al was het onduidelijk welke supermacht de grootste was. Dat komt doordat je aan de overkant van de plas een waardering moet hebben van een erkend kredietagentschap om te mogen meespelen. En die erkenning wordt maar mondjesmaat verstrekt, dus wordt de markt netjes verdeeld onder enkele grote spelers. Moody's alleen al zag zijn inkomsten de voorbije tien jaar met 900procent toenemen. Het moest zich dus weinig zorgen maken over zijn fouten. Om maar een voorbeeld te geven: Enron werd kredietwaardig bevonden vier dagen voor het ineenstortte.

Paradoxaal genoeg is het tweede probleem van de sector de moordende concurrentie tussen de grote spelers. Want wie betaalt de rekening van deze dames en heren? De investeerder die een onafhankelijk advies over het risico van een krediet wil? Neen. De uitgever van schuldbewijzen is klant. Die krijgt in de praktijk de mogelijkheid om te shoppen voor de meest gunstige rating, anders neemt hij zijn business naar de concurrent. De scheidsrechter blijkt in de praktijk dus zelf mee te spelen.

Om klanten binnen te halen en te houden, bleken managers van kredietagentschappen tot veel bereid. Eén collega van een groot agentschap tot een andere: 'Een deal zou door koeien kunnen gestructureerd zijn en wij zouden er nog een waardering op kleven.' Of een berichtje van een manager naar zijn collega's die hoopte dat 'we allemaal rijk en op pensioen zijn wanneer dit kaartenhuisje ineenstort'.

In hun zoektocht naar meer omzet schuwden ze ook de malafide zakenpraktijken niet. Zo kregen bedrijven die nog niet in de klantenportefeuille van de grote kredietagentschappen zaten, een tijd geleden plots onvrijwillige evaluaties van hun kredietrisico. Die waarderingen werden gebaseerd op publiek beschikbare informatie. Opeens kon een groot aantal ondernemingen nog maar moeilijk een lening afsluiten omdat ze, ongevraagd, een C-rating hadden ontvangen. Dat kon echter gemakkelijk verholpen worden. Met een vriendelijke brief lieten de agentschappen aan de bedrijven in kwestie weten dat ze een meer accurate rating konden krijgen, als ze betaalden voor een kredietwaardering. In Sicilië heet zoiets chantage.

Maar de dames en heren van Moody's, S&P en Fitch kunnen zelfs na het in elkaar klappen van de markt op beide oren slapen. Hun adviezen blijken juridisch onder de vrije meningsuiting te vallen. En dus kunnen ze niet vervolgd worden voor onoordeelkundige of foute waarderingen. Een gouden businessmodel.

donderdag 30 oktober 2008 - Geef je commentaar (0)

Vind je dit interessant? Deel het met anderen.

Communisme voor bankiers

Je hebt zo van die weken dat het moeilijk kiezen is tussen de schijnbare tegenstellingen. Omdat ik zelfs niet weet hoe te beginnen aan de paradoxen van de Belgische politieke toestand, spelen we deze week op zeker en starten we met de heerlijke inconsequenties van het Bush-beleid. Tenminste iets waar de meeste Belgen het over eens zijn. Want die Amerikaanse president wil nu voor 700 miljard dollar slechte leningen van de banken overnemen om zo financiële chaos te vermijden. Dat is straf spul voor een Republikeinse president die verkozen is met de belofte om de overheid kleiner te maken en die vervolgens zijn ambtstermijn afsluit met het grootste federale overheidsmonster uit de geschiedenis van het land. Het departement Binnenlandse Veiligheid, opgericht na 9/11, slorpt 50miljard dollar op per jaar, de oorlog in Irak 4.000 dollar per seconde. Het redden van Wall Street heeft nog geen prijs. Zelfs de Democraat Franklin Roosevelt, president tijdens de Grote Depressie, doet hem dit niet na.

Na de overname van Fannie Mae en Freddie Mac, na de inlijving van de verzekeraar AIG en na het garanderen van de schulden van Bear Stearns kunnen we nu zonder verpinken spreken van staatskapitalisme in Amerika. Het voorstel voor een bad bank kan elke Amerikaan opzadelen met een bijkomende schuld van 2.000 dollar. Cash for trash voor de Amerikaanse belastingbetaler dus. Het grote morele probleem is dat bankiers die het niet zo nauw namen met het afsluiten van slechte kredieten, nu beloond worden op kosten van de gemeenschap. En binnenkort worden de mensen die te lichtzinnig een lening afsloten ook nog gevrijwaard. Het probleem daarmee is dat er binnenkort niemand verantwoordelijkheid hoeft te nemen voor zijn eigen beslissingen. Laat dat nu de hoeksteen van ondernemerschap zijn.

De staat wordt dus de grootste speler op de privémarkt in een van de meest kapitalistische landen ter wereld. Hugo Chavez' Venezuela is ongetwijfeld jaloers op deze versie van de USSRA. Het lijkt er dus op dat de VS meer op Europa gaan lijken dan het oude op het nieuwe continent. En dat zou wel eens nefast kunnen zijn voor innovatie aan de andere kant van de oceaan. Meer overheid en regulatie leidt tot minder innovatie. Een dame die het daar volmondig mee eens is, is Julie Meyer. The Wall Street Journal noemt haar een van de dertig machtigste vrouwen in Europa en ze kreeg de titel 'ondernemer van het jaar' in het Verenigd Koninkrijk. Vorige week was ze te gast in Gent en daar verkondigde ze dat een groter overheidsbeslag voor minder ondernemers zorgt. Het feit dat we weinig ondernemers hebben, wijt ze onder andere aan het feit dat we 'in Europa de rijkste armen van de wereld hebben maar slechts vijf bedrijven die 30jaar geleden van niets zijn gestart en vandaag meer dan 1miljard pond omzet halen.' Met andere woorden, het is het individu dat voor innovatie en ondernemerschap zorgt. Een grote overheid loopt daarbij enkel in de weg.

En daar zit best wat stof voor reflectie in voor ons land. Vraag eender welke Belg wat er moet veranderen ('Hoe krijgen we meer ondernemers? Hoe zorgen we voor meer innovatie? Hoe zorgen we dat de mensen vriendelijker zijn voor elkaar? enzovoort...) en de eerste woorden uit zijn mond zullen ongetwijfeld als volgt klinken: 'De overheid moet...'. Maar misschien moet de overheid gewoon wat slimmer, kleiner en flexibeler worden. Minder doen kan tot meer resultaat leiden. Dat veranderen is aartsmoeilijk omdat onze overheid zo groot is geworden dat iedereen op de een of andere manier mee in de boot zit, inclusief de organisatie waar ik voorzitter van ben.

Maar wat mij bij het bekijken van enkele cijfers getroffen heeft, is dat de VS, zelfs na al hun ontsporingen, een overheidsbeslag hebben dat proportioneel veel kleiner is dan hier. In een Wikipedia-rangschikking van landen met de grootste staatsschuld als percentage van het bbp laten wij enkel Zimbabwe en tien andere landen als Jamaica en Sudan voorgaan. Met een staatsschuld die 60procent van het bbp bedraagt -of 32.000 dollar per Amerikaan- doen de VS het een pak beter met een 26ste plaats.

zaterdag 25 oktober 2008 - Geef je commentaar (0)

Vind je dit interessant? Deel het met anderen.

De vervellende economie

Het regent banken. Angst regeert. Bedrijven komen op droog zaad te zitten. Burgers beschikken over minder geld. De knip gaat op de geldbeurs. Bedrijfsleiders besparen op budgetten. Elke dag gebeuren er kleine en grote rampen voor spaarders, werknemers en beleggers. De Verenigde Staten zouden al in recessie zijn. En toch beweren sommigen dat het ergste wat er innovatiegewijs kan gebeuren, een snel einde aan de huidige crisis zou zijn. Want crisissen zijn kansen. Om u op te beuren drie redenen waarom een economische recessie geen voorbode hoeft te zijn van een nationale depressie: we krijgen meer en betere ondernemers, die gemakkelijker het juiste talent vinden om hen te omringen en vernieuwender uit de hoek komen.

Eén. Recessies zijn momenten waarop onze economie vervelt, het land zichzelf opnieuw uitvindt en meer ondernemers het licht zien. Dat mechanisme zit vrij simpel in elkaar en wordt het best geïllustreerd door Jack Kennedy. Iemand stelde hem ooit de vraag hoe hij een oorlogsheld was geworden en zijn antwoordde luidde: 'Simpel, ze hebben mijn boot doen zinken'. Als de crisis nog even duurt, hebben we binnenkort een heel legertje ondernemers die, wanneer gevraagd wordt hoe ze zelfstandige zijn geworden, antwoorden met: 'Simpel, ik ben ontslagen.'

Al die Wall Street- en City-bankiers die nog hun hele leven dikke bonussen konden binnenhalen bij een investeringsbank, hefboomfonds of kredietverstrekker, zouden immers nooit de stap naar het ondernemerschap hebben gedaan. Wat ze hadden was immers te mooi om achter te laten. Nu de banden onzacht zijn doorgeknipt voor enkele tienduizenden onder hen, is wat wij nu hebben een groep van hooggekwalificeerde managers met ervaring. En velen onder hen overwegen vandaag een nieuw bedrijf op te richten met hun gouden handdruk. Een beetje zoals het grote aantal internetondernemers van het einde van de jaren negentig die na de afgang van Pets.com en aanverwante sites bedrijven zoals Google, Ebay en Amazon mee groot hebben gemaakt.

Een tweede positief effect van wat er vandaag gebeurt, is dat iedereen verplicht wordt alles te herdenken. Beperkingen zetten aan tot creativiteit. Minder geld en minder mensen leiden soms tot meer en betere ideeën. En over die ideeën denken we dubbel zo hard na vooraleer ze te implementeren. Je hebt ook meer beschikbare mensen om mee te werken aan de beginfase van een bedrijf. En zij die in moeilijke tijden het risico nemen om mee een bedrijf uit te bouwen, zijn diegenen die je morgen aan je zij wilt als het beter gaat. Een crisis heeft ook een positief effect op de teamgeest van een ploeg. Samen het hoofd bieden aan een moeilijke uitdaging schept een band.

Een derde meevaller. In economische crisissen slaan bedrijven en naties aan het innoveren. In het jaar 1990, de start van een wereldwijde recessie, brak het aantal octrooiaanvragen in de Verenigde Staten alle records: 174.711 aanvragen liepen er binnen. Dat waren er 10.000 meer dan in 1989. In 2001, een jaar dat veel economisten ook liever vergeten, gebeurde iets gelijkaardigs. In dat jaar, na het barsten van de dotcom-zeepbel, werden alle vorige records verpulverd: 344.717 octrooien werden toen aangevraagd. Ondernemers hebben meer tijd en zijn op zoek naar meer geld en zijn daarvoor bereid harder na te denken en met slimmere oplossingen te komen. Zo werd de pc geboren in 1982, midden in een economische achteruitgang, en lanceerde Apple zijn iPod in 2001.

Maar er schuilt ook gevaar in een recessie. Veel ondernemers voelen de nood zich terug te plooien op wat ze kennen en het risico nemen in de koelkast te stoppen. Weinig budgetten zijn zo aanlokkelijk om in te snijden als het innovatiebudget, want daarmee doe je op korte termijn niemand pijn.

donderdag 16 oktober 2008 - Geef je commentaar (0)

Vind je dit interessant? Deel het met anderen.

Bruto Nationaal (On)Geluk

Waar moet een mens in deze barre beursdagen zijn geluk gaan zoeken? In Bhutan blijkt. Het ministaatje, gekneld tussen India en Tibet in de Himalaya, kwam in 1972 met de term Bruto Nationaal Geluk op de proppen. Het idee kwam uit de koker van koning Jigme Singye Wangchuck die op zijn tenen getrapt was dat zijn koninkrijkje het etiket van een trage economische groeier opgekleefd kreeg. Met het meten van het Bruto Nationaal Geluk wou hij bewijzen dat zijn economie misschien niet de best presterende was maar dat zijn bevolking wel gelukkig was. Bhutan, een stevige aanhanger van het Boeddhisme, prijkt ook vandaag bovenaan het lijstje van plekken waar mensen het gelukkigst zijn. Zelfs zo gelukkig dat de koning, tegen de wil in van zijn bevolking, enkele jaren geleden de democratie invoerde. In het lijstje van ontwikkelde landen valt op dat een groepje landen gelijktijdig het grootste aantal gelukkige en ongelukkige mensen huisvest. Dat leert een snelle blik op het ranglijstje van staten die goed scoren op de Bruto Nationaal Geluk-barometer en de rangschikking van landen met de hoogste zelfmoordcijfers.

Denemarken, Zwitserland en Oostenrijk voeren de reeks van landen aan waar mensen zich het gelukkigst voelen. Dat is gemeten volgens de Bruto Nationaal Geluk-index die in kaart brengt hoe goed mensen zich voelen op vlak van economische, sociale en psychologische factoren. Dat gebeurt op basis van een bevraging bij meer dan 80.000 mensen. Het lijstje van ongelukkige landen wordt aangevoerd door voormalige Oostbloklanden waar we een catastrofaal hoog aantal zelfmoorden vinden. Litouwen, Wit-Rusland en Rusland bezetten de plaatsen één, twee en drie in de rangschikking. Daarna volgen een rist ontwikkelingslanden zoals Zuid-Afrika, Guyana en China. En dan volgen enkele ontwikkelde landen. Merkwaardig genoeg vinden we daar dezelfde landen die de top aanvoeren op vlak van Bruto Nationaal Geluk: Zwitserland, Denemarken en Oostenrijk. Ook België behoort jammer genoeg tot dit groepje al bezetten we maar een 28ste plaats in de lijst van blije landen.

Dat Zwitserland, Denemarken en Oostenrijk veel tevreden burgers kennen, hoeft niet te verwonderen. Het zijn stuk voor stuk robuuste economieën waar veel mensen het goed hebben. Mensen in landen met een hoog bruto nationaal product, prima gezondheidszorg en onderwijs zijn door de band genomen een stuk enthousiaster over het leven. Neoklassieke theorie stelt een hoge consumptie van een product gelijk met geluk. Maar dat is wellicht aan herziening toe. Vreemd genoeg is het feit dat bijna iedereen alles heeft in landen zoals Zwitserland ook (deels) de verklaring waarom er meer mensen ontevreden zijn. Sommige onderzoekers beweren dat op curves duidelijk te zien is hoe het geluk van een bevolking afneemt naarmate de groei van de economie toeneemt -zodra een cruciale drempel van ontwikkeling is bereikt. Met andere woorden, we zijn ongelukkig wanneer we niet aan onze moderne basisbehoeften kunnen voldoen. We zijn gelukkig op het moment dat die vervuld zijn maar we worden collectief ongelukkiger naarmate we meer en meer bezitten.

Ook bedrijven kunnen hier iets uit leren want mensen blijken op hun innovatiefst en productiefst te zijn wanneer ze gelukkig zijn. Daarom gebruiken Honda, GM en Google serieuze spellen om hun mensen tot vernieuwing aan te zetten. Met duidelijke en slimme goals maar toch genoeg uitdaging om creativiteit aan te wakkeren. Mihaly Csikszentmihalyi vat het zo samen: de complexiteit van wat je doet moet net groter zijn dan je vaardigheden die je bezit. Een taak moet dus uitdagend maar niet onmogelijk zijn.

En dat is met de huidige crisis ook zo. Uitdagend, maar een oplossing kan niet onmogelijk zijn. Het paradoxale aan de collectieve verarming die de huidige beurscrisis veroorzaakt is, dat volgens de het model van sommige economisten, we hier ook gelukkiger van zouden kunnen worden. Of hoe Bruto Nationaal Geluk kan toenemen dankzij Bruto Internationaal Ongeluk.

donderdag 09 oktober 2008 - Geef je commentaar (0)

Vind je dit interessant? Deel het met anderen.

Socialisme voor Japanners

Met het ineenstorten van Wall Street, Dexia en de terugkeer van de ASLK is het bestuderen van een ander systeem dan het pure kapitalisme of het Belgische model meer dan een leuke denkoefening. Na bijna een week Japan kan ik nauwelijks claimen het economische wonder dat Japan nog altijd is, helemaal te doorgronden. Maar ik ben wel geïntrigeerd geraakt door wat sommigen het meest socialistische kapitalistisch land van de wereld noemen. Japan heeft een van de kleinste overheden ter wereld, meer dan 67 miljoen werknemers, minder dan 4% werkloosheid en is de tweede grootste economie ter wereld. Verwacht wordt dat die economie dit jaar zal groeien met 2,8%. Of zeg maar het dubbele van waar wij en landen zoals Frankrijk op kunnen hopen. Daarbij komt dat Japanners net de Europese en Aziatische activiteiten van Bear Stearns hebben gekocht en dat investeringen uit het land van de rijzende zon de motor achter zijn de groei van China.

En toch heeft dit rijk een aantal schijnbare tegenstellingen die onze conventionele wijsheid over een succesvolle economie ondermijnen. De gouden regel dat je, als je eenmaal aangenomen bent, ook nooit meer vertrekt in een bedrijf is nog grotendeels intact. Iemand ontslaan gebeurt niet. Hoogstens krijg je een interessante functie op het eiland Sakhalin aangeboden. Oprotpremies zijn dus niet van toepassing in dit land. Met andere woorden, Herman Verwilst zou nog steeds de baas zijn bij Fortis mocht het zijn hoofdkwartier in Tokio hebben. Met die vaste benoeming in de privésector zou je dus een service van bedenkelijk allooi verwachten. Want wie doet er nu zijn best als hij toch zeker is van zijn job? Maar dat is duidelijk buiten de inwoners van deze natie gerekend. Iedereen doet zijn uiterste best om de baas en de klant te behagen. Niemand vertrekt naar huis voor al zijn werk af is. En als de klant in Belgenland koning is, dan is ie God in Japan. Een aankoop van vijf euro wordt met plezier ingepakt. En dat gaat gepaard met zoveel papier en personeel dat je best vijftien minuten uittrekt om het hele ritueel gade te slaan. Heb je een parkeergarage met drie parkeerplaatsen, dan horen daar evenveel parkeerwachters bij. En ga je naar de kapper, dan is de massage in de prijs begrepen.

Een staat met een arbeidsmarkt die allesbehalve flexibel te noemen is en die toch een bijzonder lage werkloosheid voortbrengt? Het kan, in Japan. Dat raadsel wordt makkelijk verklaard wanneer je in de verschillende wijken die Tokio met zijn 20 miljoen inwoners rijk is, ronddwaalt. Overal vind je vijf keer meer personeel in de winkels dan bij ons. Dat komt doordat winkelwerknemers hier minder dan tien euro per uur verdienen. En ook de ceo doet zijn duit in het zakje. Voor het debat over de verloning van topmanagers kunnen sommigen hier inspiratie opdoen. Gemiddeld verdient het hoofd van een bedrijf maar zes keer meer dan een startende bediende in zijn onderneming. De belastingen op bedrijven en personen zijn hier zo laag dat Japanners met plezier betalen. Zo vertelde een kennis me dat zijn schoonvader elk jaar geniet wanneer hij met zijn bedrijf het certificaat van goede belastingbetaler ontvangt. Iedereen werkt immers mee aan het groot maken van het land. Bijna iedereen is het ook eens over de richting die het land uit moet, daar getuigt de tot voor kort complete hegemonie van de politieke partij LDP van.

Met zulke puike prestaties, en het verschuiven van het economische zwaartepunt van de wereld naar Azië, zou enige culturele zelfverzekerdheid zeker op zijn plaats zijn. Maar niets is minder waar. Het vreemde is dat dit land vooral één wens blijkt te hebben: onze Westerse cultuur imiteren. Zo heeft Japan een groot aantal modelabels en innoverende winkeliers. Jammer genoeg boeken ze hier vooral succes wanneer ze een faux French idioom aannemen of zichzelf een Engelse naam aanmeten. De muziek die in winkelcentra door luidsprekers schalt is Engels. En afgaande op de modecatalogen en reclamepanelen zou je haast vergeten dat je in een Aziatische stad rondwandelt. Elk gezicht dat je van op een reclamebord aankijkt is een Westers model.

Een land vol tegenstellingen maar met een paar bijzondere lessen voor ons. Zoals dat het mogelijk is om een voorspoedig land te bouwen met een plek voor iedereen in zijn ondernemerschap, zolang we een paar slimme regels maken voor een sterke economie en een visie ontwikkelen die door iedereen gedragen wordt. In combinatie met een cultuur die enkel het beste als goed genoeg beschouwt blijkt dat immers een recept voor succes.

donderdag 02 oktober 2008 - Geef je commentaar (0)

Vind je dit interessant? Deel het met anderen.

© Lorin Parys. - webdesign blau - Lorin Parys. RSS 2.0 - disclaimer en privacy