Wanneer trop te veel is

Mijn autoverzekeraar heeft mij zonder pardon, maar mét een onbegrijpelijk schrijven, aan de deur gezet. Onze relatie eindigde van de ene dag op de andere. Al is hier eerder sprake van een disfunctionele eenrichtingsrelatie waarin ik jaarlijks een vette premie op tafel legde en geen ongevallen veroorzaakte. Als beloning kreeg ik dus een briefje, enkel ontcijferbaar door tekstexegeten. Na wat getelefoneer en geëxcuseer aan de andere kant van de lijn werd duidelijk dat 'het nieuwe computersysteem' van de bankverzekeraar ING iedereen dwingt om zijn contracten online af te handelen. En dat systeem is nog niet helemaal af voor klanten met rechtspersoonlijkheid, zeg maar bedrijven.

Niemand bleek opgewassen tegen dat machtige systeem. Er zat dus niets anders op dan een nieuwe polis af te sluiten bij een andere verzekeraar, eentje die praten hoog in het vaandel voert. Groot was dus mijn verbazing toen ik enkele dagen later alweer een briefje met een oranje leeuw in mijn bus vond. Of ik me wilde inschrijven voor een autoverzekering. Hallo, weet iemand van de 100.000 mensen binnen zo'n mastodont nog wat er allemaal gebeurt binnen zo'n bedrijf? Op een bepaald ogenblik houdt 'groter' op met synoniem van 'beter' te zijn. Wanneer heeft een bedrijf te veel medewerkers om nog aan zijn klanten te denken?

De drang om te groeien, zo leren de gebeurtenissen van deze week alleen al, is een machtige drijfveer. InBev, zo u de voorbije week op een andere planeet zou vertoefd hebben, neemt Anheuser-Busch over. Daarmee ziet de grootste brouwer ter wereld het licht. Fortis schrokte ABN Amro op in de queeste om de grootste Beneluxbank te worden, en verslikte zich daar deze week in. Microsoft deed vorig weekend een nieuw overnamebod op Yahoo! om de gigant Google de pas af te snijden. Stuk voor stuk giganten met één ambitie: de grootste worden.

Maar veel bedrijven worden groter dan goed is voor hen en hun klanten. Want net de kwaliteit die kleine bedrijven groot maakt, gaat als eerste de deur uit wanneer een onderneming groeit. De honger, ambitie en gedrevenheid die de oprichters van een bedrijfje in de begindagen van hun avontuur aan de dag leggen, is onbetaalbaar en het geheim van ieder succes. Maar hoe hou je de gedrevenheid van elk van je mensen op peil wanneer je team te groot wordt om in één vergaderzaal te verzamelen? Hoe zorg je ervoor dat de klant centraal blijft staan wanneer je er plots meer dan duizend hebt? En hoe vermijd je de tirannie van interne procedures en IT-systemen?

Bedrijven kunnen een slimmer groeimodel nastreven. Het is vandaag slimmer om niet langer de grootste tanker op de oceaan te zijn, maar een armada van kleine, wendbare scheepjes die onder één vlag varen. Daar kan iedereen zich maximaal in kleinere teams concentreren op wat ze het best doen, zonder het spook van de interne administratie. Sommige bedrijven, vooral in de marketingsector, werken vandaag al zo.

Met een land is het net zo. Wij Belgen mogen dan wel de talk of the town zijn in St.Louis, globaal is ons land niet aan de winnende hand. De Indiërs nemen Range Rover over; Russen, Libiërs en Chinezen schuiven mee aan tafel bij Fortis en Singapore zwaait de plak in de haven van Antwerpen. Dat komt doordat de opkomende landen even gedreven inwoners hebben als de oprichters van een nieuwe onderneming in hun begindagen. In India, Brazilië en het Verre Oosten staat veranderen nog gelijk met verbeteren. Wij daarentegen hebben door onze welvaart nu meer te verliezen dan te winnen met vernieuwen. En dus worden we conservatief. Ook dat hoeft niet. Een simpel model waarin drie gewesten als motor onder één vlag de wereld veroveren, kan werken. We zouden samen met onze bedrijven meer dan één veldslag in de prairie van Missouri winnen.

donderdag 17 juli 2008 - Geef je commentaar (0)

Vind je dit interessant? Deel het met anderen.

Jean-Paul, Didier en Roch

Ik ben voor goedbetaalde ceo's. Voor mijn part verdienen Jean-Paul Votron (Fortis), Didier Bellens (Belgacom) en Roch Doliveux (UCB) stukken van mensen. We hebben talent nodig aan het hoofd van onze ondernemingen, want zij bakken elke dag de taart. Hoe beter de bakker, hoe groter de taart en hoe meer we achteraf kunnen verdelen. Op voorwaarde dat ceo's hun eigen ruiten niet ingooien.

'Slechts weinigen kunnen wat ik kan', liet Jean-Paul Votron enige weken geleden optekenen. Zonder enig spoor van ironie. Ondertussen kunnen we dat spijtig genoeg enkel beamen. Weinig mensen hebben het uitzonderlijk talent om te presideren over de meest spectaculaire koersval van wat ooit een steraandeel was, vervolgens doodleuk op vakantie te vertrekken, daar onhandig over te communiceren en zich dan te laten redden door de voorzitter -die op zijn beurt de situatie enkel erger maakt. Het is inderdaad weinigen gegeven. Zeker als je bijna 330.000 euro verdient. Per maand. Dat is vijftien procent meer dan vorig jaar. De prijs van het aandeel daalde intussen met 35%. Maar Jean-Paul is niet alleen. Didier Bellens van Belgacom zag zijn loon met 45% de hoogte in gaan. Een stijging die volgens sommigen gelijk is aan zijn kans op ontslag. De winnaar bij de Bel-20-bedrijven vorig jaar was Roch Doliveux, de ceo van UCB. Die nam meer dan zes miljoen euro mee naar huis.

Met zulke bedragen is een column gauw gevuld. Je maakt de Belgische grootverdieners een beetje belachelijk, daarin vaak geholpen door de ceo's zelf. Voor je het weet, heb je een snedig stukje waar je leuke reacties op krijgt. En klaar is Kees. Maar de echte vraag is of we mensen met uitzonderlijke prestaties uitzonderlijk moeten belonen? En of onze Vlaamse aard ons de das niet omdoet in deze discussie?

Er valt namelijk iets te zeggen voor een flinke beloning voor topmanagers. Ze staan immers aan het roer van onze economie, zorgen ervoor dat de schatkist belastingen int en dat er geld is om de mensen die het nodig hebben te ondersteunen met een uitkering. Een riant salaris creëert de waan van onfeilbaarheid. En de minste fout wordt ongenadig afgestraft. Dat komt met het terrein -en het salaris- en daar hebben we weinig medelijden mee. We moeten ons wel durven afvragen of we beter af zijn als er binnenkort enkel nog tweederangsfiguren aan het hoofd staan van Umicore, Fortis en Bekaert doordat de echte kleppers in Parijs, Londen en New York het grote geld verdienen. Willen we talentvolle managers zoals Thomas Leysen, Bert De Graeve en Theo Dilissen kwijt? Londen ligt op een boogscheut, Parijs op een steenworp.

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat onze volksaard meespeelt in de hele heisa rond topverloningen. Doe maar gewoon en steek je kop niet boven het maaiveld uit, lijkt ons nationaal motto. Al wie zijn nek uitsteekt, dreigt kennis te maken met de guillotine en het gegniffel als het mis gaat. Ceo's die een hoog loon opstrijken, de premier van het land en voetbaltrainers weten waarover ik spreek. Geld is vandaag nog altijd de graadmeter van succes. Iemand die erg succesvol is, is dan ook erg rijk. Is dat erg? Neen, want we worden er allemaal beter van wanneer mensen meer geld willen verdienen, in ons land investeren, ondernemerschap etaleren en jobs creëren.

U en ik, de aandeelhouders van bedrijven, bepalen het loon van de topmanagers. Laat ons dus gewoon allemaal een beetje redelijk zijn. Ceo's krijgen een passend salaris dat internationale vergelijkingen doorstaat, maar ook rekening houdt met de koers van het bedrijf en hoeveel werknemers in het bedrijf werken. Het bedrijf meldt dat bedrag netjes aan zijn aandeelhouders. Die krijgen een competente manager in de plaats die hun spaargeld niet als sneeuw voor de zon doet verdwijnen. En in ruil daarvoor beperken we onze afgunst voor mensen die successen boeken. Het leven kan eenvoudig zijn.

donderdag 10 juli 2008 - Geef je commentaar (0)

Vind je dit interessant? Deel het met anderen.

Gluren bij de buren

In tijden van communautaire hoogspanning kan een occasioneel bezoek aan onze Waalse vrienden geen kwaad. Loopt daar werkelijk niets voor een meter? En doen wij het in Vlaanderen echt allemaal beter? Een legertje inktkoelies doet ons geloven dat alles in Vlaanderen in goud verandert, terwijl de grootste economische output bezuiden de taalgrens zou bestaan uit archeologisch industrieel erfgoed. Wij gingen ons ter plekke van de situatie vergewissen en luisterden gefascineerd naar het verhaal van ondernemer Peter De Cock, die in Bertrix een innovatief landbouwbedrijf uit de grond stampte.

Tien jaar geleden liep Peter met ambitieuze plannen rond. Hij wou als eerste een onderneming opzetten die de producten van melkschapen op de markt zou brengen. Daarvoor moet je in Vlaanderen een landbouwexploitatievergunning hebben. Geen probleem, zou je denken. Hij had het kapitaal, de wil om elke dag zonder uitzondering zijn schapen te melken en de vereiste opleidingen om bedrijfsleider te worden. De Boerenbond werd om advies gevraagd bij de vergunning en die adviseerde negatief. Niemand kon zo'n nieuw bedrijf dat nooit eerder was opgezet, rendabel runnen, luidde het ongenadige verdict. Peter kon naar zijn vergunning fluiten. En ik die dacht dat de gilden waren afgeschaft op het einde van middeleeuwen? Aan je collega-landbouwondernemers moeten vragen of je hen mag beconcurreren, lijkt me op zijn minst een vreemde manier van werken.

Omdat een echte ondernemer niet bij de pakken blijft zitten, zocht Peter dan maar een ondernemersvriendelijker klimaat op. En dat vond hij in, hou je vast, in Wallonië. De toenmalige Waalse minister van Landbouw -we hebben het hier over José Happart, die niet van overdreven Vlaamse sympathieën verdacht kan worden- zag geen graten in de plannen van een ondernemende Vlaamse boer om een bedrijf te beginnen in zijn gewest. Vandaag verkoopt Peter vanuit zijn bergerie unieke kazen, heerlijk roomijs en andere zuivelproducten van meer dan tweehonderd melkschapen. Producten vol vitaminen en met aanzienlijk minder vet dan andere zuivelproducten. Drie mensen werken continu in zijn bedrijf. Vorig jaar kwamen er meer dan vijfduizend klanten over de vloer. Dat is zonder de klanten op de Vlaamse markten en de betere restaurants, zoals het Brusselse Belga Queen, gerekend. De boerderij is zo succesvol dat mensen er nu zelfs hun eigen schapen kunnen leasen. Het grootste deel van zijn omzet haalt Peter uit Vlaamse schapen voor Vlaamse klanten.

Moeten we ons nog langer het hoofd te breken over onze lage ondernemings- en innovatiegraad in Vlaanderen? In Vlaanderen lijkt dus een stelletje ambtenaren en organisaties alle wijsheid in pacht te hebben. Immers zij, en niet de vrije markt, blijken te beslissen over de overlevingskansen van een nieuw bedrijf. Je kunt je dan afvragen hoe het überhaupt nog komt dat landbouwbedrijven failliet gaan nadat ze een vergunning hebben gekregen. Met zo'n systeem ben ik niet verbaasd dat hier zo weinig innoverende ondernemingen het licht zien. Een vernieuwend concept is risicovol en maar een deel overleeft. Maar als de oprichters dat risico aandurven, zouden ze een bos bloemen moeten krijgen, en geen koude douche.

Ondertussen zijn er tien landbouwbedrijven die melkschapen kweken in ons land. Je zou dus denken dat we ondertussen onze les geleerd hebben hier in Vlaanderen. Niets is minder waar. Vorige maand kreeg Peter een collega-landbouwondernemer in spe over de vloer. Die wou in Brakel ook beginnen met een melkschapenbedrijf. Het probleem? De man krijgt geen exploitatievergunning, want een aantal functionarissen in Brussel heeft beslist dat zo'n bedrijf rendabel runnen onmogelijk is. Klinkt bekend. En Peter? Die is gelukkig in Wallonië en kreeg een tijdje geleden een prijs voor zijn innovatief landbouwbedrijf. Van de Boerenbond.

donderdag 03 juli 2008 - Geef je commentaar (0)

Vind je dit interessant? Deel het met anderen.

© Lorin Parys. - webdesign blau - Lorin Parys. RSS 2.0 - disclaimer en privacy